Kolonel Ronald Dongor (1952-2025) zocht altijd de verbinding

Gepubliceerd op: 31-7-2025

Als vroom jongetje uit het Surinaamse bauxietstadje Moengo wilde Ronald Dongor priester worden, maar hij werd de eerste zwarte kolonel bij de Koninklijke Marechaussee. Zijn geloof sleepte hem door gevaarlijke missies.

Dat hij ooit topofficier binnen Defensie zou worden, hadden zijn elf broers en zussen niet van hem verwacht. Ronald was als kind ‘bijna een beetje een sulletje’, zo omschreef zijn jongere broer Jules hem. Als er gevochten moest worden in de Oost-Surinaamse plaats Moengo, waar het gezin woonde, deden broertje Jules en zusje Agnes dat voor hem. Ronald was rustig, nam zijn taken als misdienaar serieus en leerde spelen op het harmonium.

Hij was het derde kind in de rij en van de jongens de oudste. Zijn vader, eerst politieman en daarna werkzaam in de mijnen van bauxietwinningsbedrijf Suralco, was daarom extra streng voor hem en drukte hem op het hart het goede voorbeeld te geven. Moeder was meer voor de zorg en de bescherming, al kon ze ook uithalen met een theedoek als haar kinderen uit de pas liepen.

Charismatisch en gesoigneerd
Ronald luisterde goed naar zijn ouders en was niet ondeugend, zoals sommige jongere broers en zussen konden zijn. De omschrijving van ‘sulletje’ sloeg vooral op het feit dat hij geen vechtersbaas was, verder was Ronald al jong charismatisch.

Wanneer hij, altijd even gesoigneerd, aan kwam lopen, zag je: daar komt een persoonlijkheid. Misschien zat het in zijn warme stem of het zelfvertrouwen dat waarschijnlijk werd gevoed door de zekerheid van zijn geloof.

Ik heb twee lijntjes met God, zei hij altijd. Een rechtstreekse waar niemand tussenkomt en een lijntje dat via andere mensen gaat. Als volwassene omschreef hij zichzelf als ‘medemens’.

Nederlandse beurs
Ronald was een intelligente jongen en deed in Paramaribo het atheneum. Zijn wens om priester te worden was ingeruild voor een verlangen om bij de politie te gaan. Tot grote trots van zijn vader kreeg hij een beurs toegewezen, zodat hij in Nederland aan de politieacademie kon studeren. Om politieke redenen werd de beurs ingetrokken. Dat was een diepe teleurstelling voor de jonge Ronald, die nu een baan kreeg op een accountantskantoor.

Hij was op de leeftijd van het uitgaan, wat hij graag en met plezier deed. Net als alle andere broers en zussen Dongor was hij een ster op de dansvloer, dat hadden ze van hun vader. De zittende baan met alleen maar cijfertjes bleek niets voor hem en hij meldde zich aan als dienstplichtige. Tot zijn vreugde mocht hij in Ermelo een officiersopleiding van zes maanden volgen. Na een half jaar keerde hij als eerste Surinaamse vaandrig terug naar zijn geboorteland. Enkele maanden later werd hij geselecteerd voor de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda.

Gebroken geweertjes
Bij zus Hellen, die in Rotterdam woonde, ontmoette de toen 23-jarige militair in opleiding de intelligente en knappe Joan. Zij was opgegroeid in Paramaribo en studeerde in Nederland aan de sociale academie. Ideologisch gezien stonden ze lijnrecht tegenover elkaar. Hij noemde haar een ‘linkse rakker’, zij maakte hem uit voor ‘rechtse bal’. Joan kwam uit de wereld van de gebroken geweertjes, vredesdemonstraties en stakingsrecht. In de wereld van Ronald ging het over dienstplicht, hiërarchie en oorlogsdreiging.

Bij hun eerste ontmoeting viel Joan niet meteen voor hem. Maar toen ze later bij zijn zus eens door een fotoalbum bladerde, werd ze getroffen door een jeugdfoto van Ronald waar hij met melancholische blik in de camera keek. Een gevoelig en emotioneel mens, vermoedde ze, geen macho. En dat bleek zo te zijn.

Als het ging om hun tegengestelde ideologieën, vonden ze gaandeweg het midden. Ronald werd minder onwrikbaar en conservatief in zijn denkbeelden en Joan realiseerde zich dat voor het bewaken en handhaving van de vrede soms een leger nodig is.

Staatsgreep
In 1978 trouwden ze. Eind 1979 keerde het echtpaar terug naar Suriname, waar Ronald aan het werk zou gaan als plaatsvervangend commandant bij de militaire politie. Joan had haar baan als maatschappelijk werker opgezegd en was vijf maanden zwanger van hun eerste zoontje.

Ze waren nauwelijks klaar met het uitpakken van hun huisraad en spullen of de staatsgreep van 25 februari 1980 vond plaats. Ronald werd door de coupplegers mishandeld en net als vele anderen maandenlang vastgehouden in de gevangenis. Deze periode zou hem altijd pijn blijven doen. Tegelijkertijd versterkte het zijn drijfveer om te vechten voor rechtshandhaving.

In het Suriname van legerleider Desi Bouterse wilden Joan en hij niet blijven. Later dat jaar wisten ze naar Nederland te komen met slechts een koffer met kleding. Meubels en babyspullen voor hun zoontje Ryan kregen ze van familie en vrienden. Een jaar na de coup werd Ronald beëdigd bij de marechaussee.

Strenge en betrokken vader
Met Ryan vormden ze nu een klein gezinnetje. Daar kwamen in de jaren die volgden Remco en Rogier bij. Mijn drie prinsen, noemde Ronald zijn zonen trots. Hij was een strenge en betrokken vader die met zijn dragende stem aanmoedigingen over het voetbalveld schalde. Een vader ook die problemen kon oplossen. Toen de fiets van een van zijn jongens gestolen was, had hij hem binnen twee uur terug. De dief kreeg een stevige preek.

Leven met Ronald was niet altijd gemakkelijk. Hij was soms langere tijd weg op risicovolle internationale missies. Als hij thuis was, kon hij dominant zijn en de lakens willen uitdelen. ‘Hallo, wij zijn je manschappen niet’, riepen Joan en zijn zonen hem dan tot de orde.

Ook zijn broers en zussen hielden Ronald met beide benen op de grond als hij bijvoorbeeld voor de organisatie van een familiedag op gebiedende wijs aan het delegeren sloeg. Tegelijkertijd was ‘Ro’ een populaire broer die goed kon luisteren, van qualitytime hield met zijn broers en zussen en klaarstond als ze hem nodig hadden. Een broer die bij een afspraak altijd te vroeg was.

Extra hard lopen
Bij de marechaussee klom Ronald steeds hoger op tot hij uiteindelijk de rang van kolonel bereikte. Gemakkelijk was dat niet. Als zwarte man in een witte, sterk hiërarchische omgeving moest hij extra hard lopen om zich te bewijzen. Zijn verlangen naar rechtvaardigheid hielp daarbij. Als officier was hij betrouwbaar, rustig en gericht op verbinding. Zijn ontwapenende vriendelijkheid en brede lach maakten hem tot een populaire leidinggevende.

Ondanks zijn competentie trok het werk soms een zware wissel op hem. Tijdens een VN-missie in 1993 en 1994 in het uiteengevallen Joegoslavië werd hij enkele dagen gegijzeld door Serviërs. Nog jaren erna zou hij de geur ruiken van de lijken in een Bosnisch-Kroatisch dorpje.

Hij zag in zijn werkzame jaren bommen ontploffen en collega’s sneuvelen. Hij zag de mensonterende gevolgen van genocide. Ook deed hij onderzoek naar massagraven. In 1996 zat hij een jaar in Sarajevo. De oorlog was voorbij en hij moest de lokale politie controleren.

Gelukkig waren er altijd Joan en de kinderen, zijn broers en zussen en vele vrienden. Ronald was levenslustig, danste de salsa, lachte graag en had het rotsvaste geloof dat God bij hem was, waar hij zich ook bevond.

Bescherming van de paus
Ronald maakte in zijn werk ook veel mooie momenten mee, zoals de beveiligingsoperatie van het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima in 2002. Een kroon op het werk was zijn verantwoordelijkheid voor de bescherming van paus Johannes Paulus II tijdens een vredesbezoek aan Bosnië-Herzegovina in 2003 in de wederopbouw na de Bosnische oorlog. Naderhand vroeg de paus om een ontmoeting waarin hij Ronald persoonlijk bedankte. Had hij daar als diepreligieus jongetje uit Moengo ooit van durven dromen?

Op zijn vijfenvijftigste ging Ronald met functioneel leeftijdsontslag, een vervroegde pensioenregeling voor militairen. In deze periode werd hij voor zijn inzet benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau met de zwaarden. Zijn lintje zou hij trots dragen op de vele reünies en herdenkingen die hij na zijn pensioen, vaak in uniform, bezocht. Hij was er een graag geziene gast, ook bij jongere collega’s van kleur die in hem een rolmodel en wegbereider zagen. Als er een microfoon in de buurt was, greep hij die graag voor een speech of lied.

Nieuwe dingen
Energiek en idealistisch als hij nog altijd was, werd de periode na zijn pensioen een kans om nieuwe dingen aan te pakken. Zo vertrokken Joan en hij voor enkele jaren naar Sint-Maarten waar hij werkte als korpschef van de politie. Daarna verzorgde hij in Suriname twee jaar lang cursussen voor het politiekorps en de nationale veiligheidsdienst. Daarnaast zette hij er een bacheloropleiding politiekunde op. Zijn geboorteland was hem altijd blijven trekken, vanwege familieleden die er woonden, maar ook omdat hij iets voor het land wilde betekenen. ‘Suriname is mijn vaderland, Nederland is mijn moederland’, zei hij altijd.

Weer terug in Nederland, inmiddels een zestiger, verveelde hij zich evenmin. Hij was actief als koorzanger en lector in de rooms-katholieke Sint-Martinuskerk in Hoogland. Verder maakte hij muziek op zijn keyboard en orgel en paste regelmatig op op zijn twee kleinkinderen Nova en Joah. Zijn tweede zoon Remco zei weleens: de grommende beer is een teddybeer geworden. De twee kleintjes wisten opa om hun vinger te winden. Niets kon de voorheen zo strenge vader ze weigeren.

Audiëntie in Amersfoort
Graag zat Ronald met een zwierige hoed en een sigaar op een bankje in de voortuin van hun Amersfoortse woning, als de burgemeester van de straat. Het leek soms een audiëntie rond zijn bankje, de een na de andere buur hield halt voor een praatje.

Dat zijn oorlogservaringen nog in zijn lijf zaten, bleek tijdens een bezoek aan Suriname enkele jaren geleden. Samen met Joan kocht hij wat te eten bij een eettentje toen er vlakbij onverwacht Chinees vuurwerk werd aangestoken. Ronald was in een sprong over de toonbank, luid ‘dekking’ roepend.

Joan en hij realiseerden zich dat hij ondanks zijn levenslust wellicht last had van een posttraumatische stresstoornis, opgelopen tijdens de vele heftige oorlogssituaties die hij had meegemaakt. Bij Defensie had hij zich aangemeld voor traumatherapie, maar er kwamen lichamelijke tegenslagen tussen.

Zware behandelingen
Elf jaar geleden kreeg hij de diagnose van de ziekte van Kahler, een kanker in het beenmerg. Vele zware behandelingen volgden, waar hij met lichamelijke en mentale veerkracht steeds weer van opkrabbelde. Dat zijn oersterke lichaam door de jaren meer en meer werd aangetast en verzwakte, droeg hij waardig. Pacman, noemde hij de kanker, als het happende mannetje van het computerspel dat hem van binnen opat. Ook toen hij afhankelijk werd van een rolstoel behield Ronald het air van een koning.

De tegenslagen in zijn leven maakten van hem geen bitter mens. In zijn laatste maanden, die hij bijna permanent moest doorbrengen in het ziekenhuis, genoot hij van de bezoekers die soms voor hem in de rij stonden. Terwijl zijn naasten moesten bijkomen van de tijding van de arts dat zijn einde onverwacht snel in zicht was gekomen, accepteerde Ronald dit direct. Hij wist waar hij naar toe zou gaan.

Ronald Dongor werd geboren op 11 juni 1952 in Moengo (Suriname) en overleed op 31 mei 2025 in Amersfoort.


Bron: Trouw

Altijd op de hoogte? Meld u aan voor de wekelijkse nieuwsbrief